DE LAATSTE STADSWAL VAN AMSTERDAM

Buskruit maakte nieuwe bouwwijze nodig

Tekst: Ernest Kurpershoek

Het lijkt waanzin: toen Amsterdam rond 1600 uit zijn voegen begon te barsten, werd de robuuste mideleeuwse stadsmuur van keiharde baksteen vervangen door een omwalling van gedroogde modder en graszoden. Toch was dat minder zot dan het nu lijkt. Ernest Kurpershoek, auteur van het gloednieuwe Open-Monumentendagboekje Amsterdam verdedigd, legt uit waarom.

Rond 1300 moet er al een aarden walletje hebben gelegen achter de Nieuwendijk. Sporen ervan vond stadsarceoloog Jan Baaret in 1994 bj de Nieuwezijds Kolk. Het was die verdedigingswal, die de Amsterdammers moesten afbreken als straf voor de rebellie van Gijsbreght van Aemstel tegen graaf Floris V. Pas rond 1340 kwam er een nieuwe aarden stadswal, maar ook die stelde weinig voor. Dat was niet zo erg, want de stad was omringd door water en moerasgebieden, en wie het waagde dwars daar doorheen de stad te naderen, liep onherroepelijk vast in de slappe modderachtige bodem.

Pas helemaal aan het einde van de middeleeuwen kreeg Amsterdam op de valreep alsnog een heuse stenen ommuring. Daarvoor was wel eerst zware druk nodig van de landsheren, eerst Filips van Bourgondië en vervolgens Maximiliaan van Oostenrijk, om de stadsregering zover te krijgen de muur te bouwen. De bouw van de muur was immers duur en, vanwege de drassige grond, problematisch. Met geweldige krachtsinspanning kwam de muur niettemin tussen ongeveer 1485 en 1494) tot stand. Het was een erg dikke en hoge muur van gemetselde baksteen, op regelmatige afstanden voorzien van indrukwekkende stadspoorten en verdedigingstorens. Een van die torens was de Schreierstoren op de huidige Prins Hendrikkade en de Waag op de Nieuwmarkt, in 1488 (dat jaartal is nog te zien in een gevelsteen tegenover de Zeedijk) als Sint Antoniespoort. Om die muren over te kunnen klimmen, moesten belegeraars eerst nog de stadsgracht over zien te komen: aan de oostkant waren dat de huidige Geldersekade en Kloveniersburgwal, aan de westkant het Singel.
Een kleine eeuw lang was die verdedigingslinie afschrikwekkend genoeg. Maar tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen de overheersing door Spanje stak de ongerustheid toch weer de kop op. In de noordelijke Nederlanden hadden de opstandelingen weliswaar al na zo’n tien jaar strijd het heft in handen (Amsterdam slot zich in 1578 aan bij rebellenleider Willem van Oranje), maar de kans dat de militaire balans zou omslaan bleef nog een hele tijd redelijk groot.

Het ‘gebastioneerde stelsel’

De verdediging van Amsterdam bezorgde de stadsregering veel kopzorgen. Hoe voortvarend zij ook te werk ging, als het thema van de fortificatie ter sprake kwam, legde zij een opvallende mate van bedachtzaamheid, misschien ook onzekerheid, aan de dag. Het was Willem van Oranje die de stad de weg in dezen moest wijzen, net als Maximiliaan van Oostenrijk dat een eeuw eerder had gedaan toen de stadsmuur verrees. Direct na de Alteratie (aansluiting bij de opstand) had de stadsregering al enkele noodmaatregelen genomen ter versterking van de stad.  Nog in 1578 kwam een bolwerk gereed bij de Haarlemmerpoort, ter plekke van de huidige Herenmarkt, ``alsoe de stadt aldaer zeer swack ende cranck es´´. In de Lastage (nu Nieuwmarktburt) werd de middeleeuwse Montelbaanstoren half afgebroken en met puin volgestort om als bolwerk te fungeren, en er kwam een versterking op de Sint Antoniesdijk. Hier en daar werden muren verlaagd en verstevigd met een aarden wal.
Maar dit waren slechts lapmiddelen om de zwakste plekken provisorisch weg te werken. Een alomvattend plan ontbrak. Willem van Oranje vond de versterking van Amsterdam volstrekt ontoereikend en stuurde in 1581 zijn fortificatiemeester naar Amsterdam, Adriaen  Anthonisz. die onvermoeibaar van de ene na de andere stad in de Republiek pendelde om de stadsbesturen op het gebied van vestingbouw van advies te voorzien.
Een nieuwe verdedigingsgordel van Amsterdam zou van een geheel ander karakter moeten worden dan die waarop Amsterdam tot dusver had vertrouwd. De oude stadsmuur  van eind 15de eeuw was militair gezien een anachronisme. De ironie van het lot wou dat het hele systeem van muren en torens al ten dode was opgeschreven op het moment dat de stadsmuur van Amsterdam in 1494 feestelijk werd ingewijd. In dat jaar namelijk namen de troepen van de Franse koning Karel VIII dankzij de invoering van buskruit, van nieuwe wapens en aanvalstechnieken in Italië de ene na de andere ommuurde stad in. De Fransen gebruikten ijzeren in plaats van stenen kogels, waartegen de muren niet bestand bleken.
Muren en torens waren hoog gebouwd om beklimming te bemoeilijken en projectielen afgeschoten met katapulten tegen te houden. Maar nu werkte de hoogte juist in het nadeel van de verdedigers.  Ze vormden een dankbaar doelwit voor de kanonnen en bij ieder raak schot werden de verdedigers bedolven onder een steenlawine. Bovendien concentreerden de Fransen hun kanonnenvuur op bepaalde plekken waardoor bressen in de verdediging werden geslagen, het zogenaamde bresschieten. Hierdoor waren de verdedigers gedwongen om de vijand vanuit de flanken te beschieten, maar daarvoor boden de torens weer te weinig mogelijkheden.
Als antwoord op de nieuwe aanvalstechnieken ontwikkelden Italiaanse vestingbouwkundigen een aangepast verdedigingssysteem, het gebastioneerde stelsel. Rondelen en bastions namen de taak van de verdedigingstorens over. In de middeleeuwen dankten de torens hun kracht aan de dikte en geslotenheid van de muren, waarin slechts  kleine geschutsopeningen uitgespaard werden. Maar voor het moderne geschut was de schiethoek die de openingen boden veel te klein. Bovendien waren er niet voldoende openingen voor de rookafvoer van het geschut.  In plaats van hoge torens kwamen nu lage bastions die uit de muur naar voren staken en waar de kanonnen op een platform in de open lucht opgesteld konden worden. Van daaruit konden de courtines veel beter beschermd worden en de rookafvoer van de kanonnen was vanzelfsprekend ook geen probleem meer. De eerste bastions waren rechthoekig van vorm, maar al spoedig werden ze vervangen door ronde bastions of rondelen. Hierdoor ketsten kogels op de muur af. Tegelijkertijd hadden de verdedigers een  veel groter schootsveld. De volgende stap in de ontwikkeling was het vijfhoekige bastion dat door inspringende flanken met de wal werd verbonden. In de flanken werden geschutskelders aangebracht, de kazematten, waardoor verschillende schiethoogten ontstonden. Vanaf hier konden de tussenliggende muren of courtines bestreken worden. Het uitspringende driehoekige platform vóór de flanken zorgde voor de verdediging van het geschut dat in de flanken was opgesteld. De afstand tussen de bastions werd vastgesteld op de reikwijdte van een musketschot, rond de 225 meter. Bastions konden dus op een afstand van 450 meter van elkaar gesitueerd worden waardoor de courtine over de gehele lengte vanuit twee bastions gedekt was.
In de loop van de 16de eeuw vond dit systeem ook ingang in de Nederlanden. In 1540-1550 waren Italiaanse vestingbouwkundigen in Amsterdam aanwezig; en het rondeel tussen de Schreierstoren en de Sint-Antoniespoort was het werk van de Italiaan Alessandro Pasqualini. Het gebastioneerde stelsel dat tot dusver slechts incidenteel in de Amsterdamse verdediging voorkwam, werd vanaf nu het exclusieve verdedigingssysteem van Amsterdam.

Nieuwe wal alweer snel te klein

Na drie jaar overleg kwam de stadsregering in 1585 in eerste instantie tot het besluit om niet ver buiten de oude stadsmuur een aarden wal met elf  bastions aan te leggen. Ze liep (als we ‘tegen de klok in’  gaan) vanaf de Montelbaanstoren langs de Oude Schans en Zwanenburgwal naar de Amstel. Aan de overzijde van de rivier ging het verder langs de huidige Bakkerstraat, de Reguliersdwarsstraat en dwars door het gebied tussen de huidige Heren- en Keizersgracht om uiteindelijk, aan de noordwestzijde van de stad, aan te sluiten op het reeds in 1578 gebouwde bolwerk bij het IJ op de tegenwoordige Herenmarkt.
Nu het Singel zijn functie als vestinggracht had verloren, werd ze veranderd in een woongracht voor de welgestelde burgerij. Op het terrein tussen het Singel en de nieuwe wal kwamen woningen voor schippers en werklieden en vestigden zich allerhande bedrijfjes.
De ruimere vestinggordel bood plek voor leniging van de ergste woningnood, maar niet meer dan dat. De kaart van Pieter Bast uit 1597 laat zien dat de stad toen alweer helemaal volgebouwd was. Nog geen drie jaar nadat de uitbreiding gerealiseerd was, werden dus alweer druk plannen gemaakt voor de volgende uitbreiding. In 1610 presenteerde de stadstimmerman Hendrick Jacobszoon Staets het stadsbestuur schetsen van nieuwe fortificatiewerken. Na vestingbouwkundig advies te hebben ingewonnen bij de stadhouder, prins Maurits, nam de vroedschap in 1613 een stoutmoedige reeks besluiten. Er zou, te beginnen aan de kant van de Haarlemmerdijk, een verdedigingswal komen met bolwerken, langs het tracé van de huidige Marnixstraat en Weteringschans.  Aan de buitenzijde daarvan kwam een nieuwe brede stadsgracht, de Buitensingel (nu Singelgracht) en aan de binnenzijde een smalle gracht, de Lijnbaansgracht.
De invulling van het gebied binnen de omwalling kwam pas in tweede instantie aan de orde. Uitgangspunt was dat het een aantrekkelijk woongebied voor de welgestelde burgerij moest worden. Het resultaat was de beroemde grachtengordel, met de Heren-, Keizers- en Prinsengracht. Van meet af aan was het de bedoeling om de stad als een halve maan om de gehele oude stad te leggen, tot aan het IJ. Het project was echter te omvangrijk om ineens te realiseren. Daarom werd besloten om de nieuwe fortificaties en grachtengordels  in eerste instantie niet verder door te trekken dan tot aan de Leidsegracht. 
Vanaf 1657  werd Amsterdam nog eens vergroot. Dit werd veruit de grootste uitbreiding  tot dusver. Het grondgebied van Amsterdam nam ineens toe  met bijna 70%. De grachtengordel werd doorgetrokken tot de Amstel en aan de overzijde daarvan door de Nieuwe Heren-, Keizers- en Prinsengracht voortgezet. Vanuit het centrum liepen radiaalstraten en –grachten naar de stadswallen waardoor de plattegrond van Amsterdam eruit ging zien als een half spinnenweb. Aan het einde van twee radiaalstraten, de Leidsestraat en Utrechtsestraat, werden stadspoorten gebouwd. Evenals aan het oudere deel van de grachtengordel kwamen er voornamelijk rijke kooplieden en ondernemers te wonen.
De laatste uitbreiding lijkt in nog sterkere mate dan voorheen uit militaire overwegingen te zijn voortgekomen. Een eerste aanleiding voor uitbreiding van vestingwerken deed zich voor  toen stadhouder Willem II in 1650 een aanslag op Amsterdam beraamde. De aanslag werd verijdeld, maar tijdens het in paraatheid brengen van de verdediging, kwamen de tekortkomingen van het bestaande verdedigingsstelsel en de wenselijkheid van een nieuwe en ruimere omwalling duidelijk naar voren. Ook essentieel was een  deugdelijke bescherming van het nieuwe scheepsbouwkwartier op de Oostelijke Eilanden (katenburg, Witenburg en Oostenburg).
In 1657 werd begonnen met de aanleg van nieuwe fortificaties. De aanleg van de laatste omwalling van Amsterdam was een megaproject, wellicht de grootste bouwkundige onderneming uit de tijd van de Republiek. Vooral het onderstutten van de zware wal op de slappe ondergrond was een enorm karwei. Jarenlang hebben duizenden arbeiders  heen en weer gesjouwd met karren en kruiwagens vol met aarde en zand uit de duinen en het Gooi, kilometers damwal gemetseld, grachten uitgegraven, bruggen en sluizen gebouwd en vooral heien, heien en nog eens heien.  Om de gang erin te houden werden arbeiders per stukloon betaald. Rond 1663 was het enorme werk gereed.

26 bolwerken

De gehele wal rustte op een negen meter brede houten vloer die gedragen werd door meer dan 100.000  geheide palen met dwarsliggers. Boven de planken werden gewelfde bogen gemetseld, 44 per bolwerk en 47 per courtine. Over de bogen heen werd de aarde gestort. Aan de buitenzijde werd de wal met stenen bekleed. Het geheel was omschoeid door een damwand van veertien kilometer om het wegglijden van de aarde tegen te gaan.
De nieuwe omwalling telde 26 bolwerken of bastions. In de flanken waren kazematten of geschutskelders aangebracht waarin vuurmonden opgesteld werden en munitie werd ondergebracht. Vanaf hier konden de naastgelegen walmuren bestreken worden.
De bolwerken werden extra rendabel gemaakt door ze ook bedrijfsfuncties te geven. Zo bleken ze ideaal om er molens op te zetten. De verhoogde ligging alsmede het verbod op het bouwen buiten de omwalling garandeerden een goede windvang. Op bijna alle bolwerken kwamen molens te staan. Wie vroeger de stad naderde zag al vanuit de verte een woud van molenwieken aan de horizon opdoemen, niet zo heel erg anders dan het silhouet van rijen hedendaagse windmolens. Naast de molens lagen op de bolwerken ook vaak stallen, bergingen en huisjes en moestuinen. De grond waarop de molens stonden bleef eigendom van de stad en de molenaars waren verplicht de molens direct af te breken als de stadsregering dat in geval van nood eiste. Ze waren daarom ook van hout vervaardigd. Maar in de eerste helft  van de 18de eeuw werden ze geleidelijk toch door stenen exemplaren vervangen.
Alle bolwerkmolens zijn inmiddels verdwenen, behalve De Bloem (tot 1878 op bolwerk Rijkeroord, het huidige Tweede Marnixplantsoen; daarna herbouwd aan de Haarlemmerweg) en De Gooyer (eerst op bolwerk Oosterbeer in de huidige Sarphatistraat,  sinds 1814 op de Funenkade).
De nieuwe omwalling telde vijf hoofdpoorten, de Haarlemmer-, Leidse-, Utrechtse-, Weesper- en Muiderpoort. Daanaast waren er nog enkele kleinere poorten, de Wetering-, Raam-, en Zaagmolenpoort. Alle hoofdpoorten bevatten wachtlokalen, een administratiekantoor, wapenkamer en soms ook enkele cellen.

Het einde van de laatste stadswal.
De laatste omwalling van Amsterdam is nooit serieus op de proef gesteld. De stad heeft het ook nooit zover (durven) laten komen. Toen de Republiek in het Rampjaar 1672 van alle kanten werd aangevallen, heeft men niet gewacht tot het moment dat de vijand voor de poorten stond, maar hem op afstand gehouden door het hele gebied van Muiden tot Gorkum onder water te zetten. Deze zogenaamde Hollandse Waterlinie bleek een onneembare barrière. Sindsdien is men voortdurend bezig geweest deze waterlinie te perfectioneren. De omwalling van Amsterdam raakte daarbij een beetje in de vergetelheid en werd in de loop van de achttiende eeuw vanwege de kostbare onderhoudswerkzaamheden eigenlijk alleen maar tot last. Ook over de deugdelijkheid van de omwalling bestonden ernstige twijfels. Het was een veeg teken dat de Muiderpoort in 1769 tezamen met een gedeelte van de met stenen beklede stasdwal  zomaar in elkaar stortte. In 1794 verdween een stuk van het Reguliersbolwerk in de gracht. De rapporten die het Stadsfabriekambt in die periode over de omwalling liet verschijnen, bevestigden alleen maar de bange vermoedens en lieten geen spaan heel van het voormalige paradepaardje van de Amsterdamse verdediging: ``dit gedenkstuk der voortyd´´ zo staat er ergens te lezen, was ``... reeds by den eersten aanleg onvoldoende gebouwt, slegt bewerkt´´. De omwalling was amateurswerk en de toenmalige stadsregering was, om kort te gaan, bedonderd door de stadsfabrieksmeesters die soms de stenen zomaar op elkaar hadden gestapeld, en nog ongelijk ook, ondeugdelijk kalk hadden gebruikt en van alles in de omwalling hadden gekeild, tot en met een kruiwagen en mengemmer voor kalk. Het Stadsfabriekambt had er weinig fiducie in dat de omwalling ooit nog eens in een deugdelijke vestinggordel veranderd zou kunnen worden. Men concentreerde zich liever op de verdedigingslinie die luitenant-kolonel Cornesis Krayenhoff in 1805 ontwierp op een paar kilometer buiten Amsterdam. Deze verdedigingslinie, de Posten van Krauenhoff genoemd, was in feite de voorloper van de Stelling van Amsterdam. en bestond uit een stelsel van dammen, sluizen en tientallen aarden werken dat berekend was op gebruikmaking van inundatie. Napoleon die in 1811 de Posten van Krayenhoff inspecteerde was diep onder de indruk en noemde het verdedigingsstelsel ``zonder voorbeeld, zonderling en inderdaad onoverwinnelijk.´´
De stad zelf zat intussen nog opgescheept met de zeventiende-eeuwse omwalling.. Wat ermee moest gebeuren, had een directeur van het Stadsfabriekambt , Johan Samuel Creutz al in 1783 aangegeven: verlaag de muur, zorg ervoor dat  de daarachter liggende aarden wal afgegraven wordt en leg er mooie door bomen omzoomde wandelwegen aan. Dit idee werd enthousiast ontvangen. Er werd al gefantaseerd over het beplanten van de wallen met dubbele rijen plantanen en essen die ``met de tuinhuizen en prieelen in de tuinen der partikulieren een veel bekoorlijker gezigt oplevert als de akelige steenen, die, evenredig op elkander gestapeld, het gezigt vermoeiden wanneer men langs de buitensingels wandelde´´. Na de Franse tijd zijn daadwerkelijk wandelwegen op de stadswallen aangelegd. In 1818 was de stad van de Muider- tot de Raampoort aldus omzoomd en een jaar later volgde het stuk tussen de Zaagmolen- en de Haarlemmerpoort. In 1820 was een groot deel van  Amsterdam omringd door een wandelweg gelegen op de afgegraven vestingwal. De poorten bleven vooralsnog staan voor de inning van de stedelijke accijnzen.
In de daaropvolgende decennia werd de wandelroute ten koste van de verdedigingswerken beetje bij beetje nog verder uitgebreid. De laatst overgebleven courtine,die tussen de bolwerken Rijkeroord en Slotermeer, werd in 1862 gesloopt en ook als wandelweg heringericht. Hiermee was het laaste stuk schans, op het afgelegen Funen en het gedeelte dat werd ingenomen door de Oranje-Nassaukazerne na, beplant met plantsoen of met bomnen. Echter, op het moment dat de trransformatie van de oude vestingwerken rond was, was de aantasting van het wandelgebied al in volle gang. Na 1860 nam de economische bedrijvigheid  sterk toe en groeide de bevolking dermate dat binnen de vestgracht niet meer voldoende ruimte was. Niet alleen buiten de voormalige verdedigingsgordel werd gebouwd, maar ook erop. Er moest immers een goede aansluiting komen tussen de oude en nieuwe stadswijken, en bovendien, grond was duur. De wandelroute werd aldus op tal van plaatsen onderbroken en nu de samenhang weg was, werd ze een weerloze prooi van bouwspeculanten. Enkele plukjes groen langs de Singelgracht herinneren nog aan het negentiende-eeuwse wandelgebied: het Eerste en Tweede Weteringplantsoen, bijvoorbeeld, en het Eerste en Tweede Marnixplantsoen. Van de zeventiende-eeuwse omwalling resteert zo goed als niets meer. De Singelgracht werd, zoals dat heet, genormaliseerd waarbij het geometrische patroon van de bolwerken plaatsmaakte voor de rechtlijnigheid  van de Marnixstraat, Weteringsschans, Sarphatistraat en Blankenstraat. Slechts hier en daar zijn, nog de omtrekken van de voormalige bolwerken af te lezen, het duidelijkst wellicht bij het Tweede Marnixplantsoen ter plekke van het bolwerk Rijkeroord.